Morgenvroeg!

Willeke Havinga's picture Willeke Havinga Aantal keren gelezen: 231 Humor

een oude vrouw, wachtend op de komst van haar hulp. Waarom? Nou. lees maar...

Morgenvroeg!

 

Ze komt morgenvroeg, mijn poetsmeisje. Gelukkig maar.

Sanne heet ze, een vijfentwintig jaar jonge bloem. En ik heb haar nodig. Zoveel is zeker.

Zelf ben ik niet zo huishoudelijk ingesteld. Nooit geweest trouwens. Wat voor een alleenstaande vrouw zoals ik toch een handicap is. Als je kijkt naar de rommel die op de vloer ligt! Dat kan ik niet meer oprapen. Sterker nog: ik kan niet eens mezelf oprapen!

 

Als je alleenstaande bent, zoals ik, wat moet je dan als je op het koude zeil van de keukenvloer ligt?

 

Maar ze komt morgen, mijn poetsmeisje. Gelukkig maar.

Een schat van een meid is ze. En ze werkt hard. Moet ook wel.

Kijk nou toch eens, die koffievlekken. En ik kan het niet opdweilen. Dat is altijd al zo geweest.

 

Mijn moeder zou gezegd hebben: Dat kun je wel Willeke, maar dat wil je niet!

Maar als kind wist ik toch altijd te ontsnappen aan huishoudelijk werk. Mede dankzij mijn zusje Fien, die simpele ziel die het altijd geloofde als ik zei dat mamma het had gezegd dat zij het moest doen.

Had ik zo ook maar kunnen ontsnappen aan het ellenlange rozenhoedje ’s avond na het eten. Maar helaas, daar ontkwam ik niet aan. Daaraan kon niemand ontsnappen. En als we nou gewoon, zittend aan de keukentafel, hadden mogen bidden. Nee, we moesten knielen, op het koude keukenzeil. Wat was ik blij als na de litanie van Maria, op het eind van die eindeloos herhaalde Weesgegroetjes, ik weer op mocht staan.

 

En dat zou ik nu ook wel willen: opstaan!

Maar ja, ouderdom komt met gebreken. Of, in dit geval, met breken.

 

Maar gelukkig komt ze morgen, mijn poetsmeisje. Gelukkig maar.

Sanne met haar rode haar, haar zomersproetjes die ze in haar gezicht laat overwinteren. Wat zou ik te beklagen zijn als zij niet zou komen, morgen. Als ze me links zou laten liggen.

 

Oh ja, mijn moeder!

Echt! Ik heb een gelukkige jeugd gehad.

De crisis van de jaren dertig, de Duitse bezetting.

Wat wil een pubermeisje nog meer.

 

We mochten niet meer naar school. Die was gevorderd door de moffen.

De school, en het nonnenklooster, recht tegenover ons in onze straat.

We keken uit op de Duitse bezetter en we werden in de rug gekeken door de pastoor en zijn huishoudsters. De kerk van Sint Joris was heel dichtbij. Onze tuin grensde aan de pastorietuin. We konden de huishoudster horen mopperen als ze het niet eens waren met mijnheer pastoor. Het waren niet de liefste vrouwen van de wereld die wij tegenkwamen in onze jeugd. Tegenover ons, voordat de Duitsers kwamen, de nonnen: Zusters van Liefde, Krengen van Barmhartigheid. Achter ons de draken van Sint Joris. Maar de nonnen moesten uitwijken. Vond ik dat erg?

Laat ik het zo zeggen: Ik had toen al in de gaten dat ik ruisende jurken, zelfs in de vorm van habijt, verkoos boven broeken en blouses, vooral in functie van wapenrok.

En uiteindelijk, na de glorierijke achttiende september in het jaar des heren 1944, verdwenen wapenrok en soldatenlaars weer en keerde zusterhabijt en schooluniform terug in onze straat.

 

Jammer genoeg vertrokken toen ook meneer en mevrouw Cohen weer, samen met hun dochter Hannah, die mijn vader had laten onderduiken bij ons op zolder. Wat voor de gemoedsrust van ons moeder niet bevorderlijk was. Maar voor mij….

Als Hannah het niet meer uithield op zolder dan kwam ze soms naar mijn slaapkamertje en als dan mijn zusjes weg waren… Het is waar! De eerste zoen vergeet je nooit meer. En vooral die zoen, in alle opzichten gevaarlijk, met de Duitsers aan de ene kant, levensgevaarlijk voor haar, en de Kerk aan de andere kant, met alle gevaren die mijn zielenheil bedreigden.

Maar toen voor Hannah het gevaar geweken was, kwamen voor mij de problemen weer van alle kanten, van voor en van achter, krengen en draken.

 

Maar nu ben ik oud. En de Kerk… Die gevaren zijn nu wel bezworen. Het enige gevaar dat nu nog overblijft, is het gevaar van verpleeg- en verzorginstellingen die ik tot nu toe altijd heb weten te ontlopen.

En als ik zo over nadenk, en daar heb ik nu toch tijd genoeg voor, zou zo’n opname onvermijdelijk zijn als iemand anders mij hier zo zou aantreffen, iemand anders dan Sanne. Sanne die altijd zo discreet wegkijkt als ik weer iets doms doe.

 

En Sanne, mijn poetsmeisje komt morgen. Gelukkig.

Het is een modern meisje, Sanne. Met oordopjes in die de popsongs van nu rechtstreeks haar hersenen inspuit, en dan staat ze mijn jurkjes te strijken op de maat van Michael Jackson en Whitney Houston, gestorven artiesten die, zoals ik haar plagend voorhoud, het minder lang hebben vol gehouden dan Willeke Alberti en ik zelf. En dan moet ze van mij de oordopjes uitdoen en dan zet ik een plaatje op van Alberti. Dan draai ik vanavond om kwart over zes ben ik vrij. Ik laat haar luisteren naar mijn dagboek of naar telkens weer. Maar nooit Carolientje wil een man. Om begrijpelijk redenen. Sanne heeft geloof ik wel een vriendje. Maar daar sluit ik liever mijn ogen voor.

 

Ach was het maar vast morgen. Dan komt mijn poetsmeisje weer. Gelukkig.

 

Twee jaar heb ik, tijdens de oorlog niet naar school gekund. Die gemiste jaren heb ik later ingehaald. Ruimschoots!

Ik ben juf geworden, onderwijzeres op een lagere school. Een lange carrière. Want daar waar mijn collegaatjes ontslagen werden als ze gingen trouwen… Ik ben nooit getrouwd. Om dezelfde begrijpelijke reden als het boycotten van ‘Carolientje.’ Wie er ook allemaal het verlangen heeft gehad naar een man, ík niet!

 

Sanne begrijpt dat, geloof ik. Ze heeft mij op een gegeven moment haar oordopjes ingedaan en me laten luisteren naar een meisje, ik geloof dat ze Kate Perry heet, die vol vreugde zong dat ze een meisje had gekust en dat ze het fijn vond. En ondertussen stond Sanne mijn onderbroekjes te vouwen. Ergens toch een intiem moment. Ik mag dan wel zestig jaar ouder zijn dan zij… maar toch!

Ik mag mezelf wel gelukkig prijzen dat ze elke week binnenkomt vallen. En vooral verheug ik me al op morgen. Al hoop ik dan wel dat ze dat vallen niet zo letterlijk neemt als ik vanmorgen. Ik had mezelf een kop koffie ingegoten, die eerst laten vallen en daarna, toen ik de scherven wel op wilde rapen maar niet kon, toen heb ik me daarbij maar neergelegd. Letterlijk dus, dankzij de plas koffie waarover ik uitgleed.

En zoals mijn zusje Fientje vroeger, als we aan het kaarten waren, rikken natuurlijk, al zei: Wat ligt, dat ligt! Daar is in dit geval geen speld tussen te krijgen.

 

Nou, waar was ik, behalve dan op het koude keukenzeil, een schooljuf dus, een frik. Gewoon op de normale ouderwetse manier. De leerlingen met hun armen over elkaar en luisteren. Vinger opsteken als ze wat wilde vragen, netjes schrijven en binnen de lijntjes kleuren. En niet zoals nu waar meer aandacht is voor de rugzakjes van de kinderen dan voor de kinderen zelf, waar de kinderen vooral zichzelf moeten ontplooien en ‘hun ding’ moeten kunnen doen. Wat dan ook mogen betekenen. Ik ben te oud voor het onderwijs van nu. Mijn kinderen, de kinderen in mijn klas bedoel ik, moesten nog gewoon opletten, luisteren naar wat ik hen te zeggen had. De goeie oude tijd met degelijk onderwijs. En ja kijk, dat diezelfde kinderen daarna in opstand kwamen tegen autoritaire onderwijsvormen, de universiteiten, die ze dankzij mijn inspanningen konden bezoeken, gingen bezetten, (een school bezetten vanuit jouw eigen drang naar macht, waar heb ik dat toch eerder gezien), omdoopten tot Karl Marx Universiteit en weet ik niet wat nog meer, dáár kan ik toch niets aan doen!

Maar ja, dat ze daardoor, die wil tot zelfbeschikking, democratisering nu allemaal eigenzinnige kinderen en onhandelbare kleinkinderen hebben, dat geeft me dan ook weer een beetje voldoening.

Ja, ik kan soms ook heel gemeen zijn.

 

Alleen niet voor Sanne, mijn lieve poetsmeisje. Morgen komt ze weer. Ik kan haast niet wachten.

 

Nee, ik ben dus niet getrouwd. Waarom, daar sprak ik niet over. Hoezeer mijn nieuwsgierige vriendinnen, allemaal gelukkig getrouwd, dat wel wilden weten. Of ik het niet miste, de warmte van mannelijke armen, liefdevol om me heengeslagen, kinderstemmen, hun vrolijke gelach. Ik glimlachte dan maar even en dacht over hun gelukkig huwelijk dat duurde totdat hun man zijn liefdevolle armen om een jongere vrouw heen sloeg en de kinderstemmen om hen heen meer snauwen werd en dreinen midden in de supermarkt. En hoe ze op latere leeftijd, als die liefdevolle kinderen het huis uit waren, hun leven opbouwden met hun eigen gezinnen, hun eigen scheidingsperikelen en problemen met puberdochters, moesten smeken of ze alsjeblieft in het weekend hun oude moedertje op wilden komen zoeken.

In mijn huis geen kinderkamer. Die ruimte heb ik omgebouwd tot een grote kast met ruimte voor al mijn rokken en jurken, voor mijn collectie schoenen en tassen. Ze noemen het een ‘Walk-in closet’. Walk in. Niet walk-out. Het schijnt de bedoeling te zijn dat, als je liever jurken om je heen hebt (liefst met inhoud, aantrekkelijke vrouwenlijven) je in de kast blijft zitten. En dat heb ik dan ook maar gedaan.

 

Ik moest wel een keertje aan Andrea Vreede denken,

 

Ik was in het ziekenhuis, controle omdat ik twintig jaar geleden kanker heb gehad, en overwonnen, dat een verpleegster me vroeg of mijn man al lang geleden was gestorven. Ik herinnerde me dat die goede Andrea op een gegeven moment, midden in een gesprek op de nationale televisie had gezegd: ‘Mijn man is een vrouw.’ Ik had dat ook wel tegen die verpleegster willen zeggen, of iets in die zin. Maar ik durfde niet. Ik ben een kind van mijn tijd, ik kan niet zo vrijmoedig zijn als de jongelui, mensen zoals Sanne, mijn poetsmeisje, met haar popmuziek, haar gescheurde jeans en haar T-shirtjes die ze draagt onder haar warme trui. De trui die ze iedere week weer uit trekt omdat ze het zo warm krijgt bij mij thuis, mijn kast van een huis. Ik ben zelf nogal kouwelijk, namelijk.

En als ze dan iets moet oprapen van de grond, uit de mand van het strijkgoed, krijg ik altijd een beetje inkijk in haar decolleté, zie ik een glimp van haar roomwitte borsten. Het is niet veel. Maar ik doe het er mee.

Ze komt altijd op dinsdag. En dat is het morgen, dinsdag. En morgen komt ze weer, mijn poetsmeisje. Gelukkig!

Ze zal me vinden op de keukenvloer, het koude zeil. Ze zal eerst aanbellen, zoals het hoort. En dan, als ik niet opendoe zal ze de sleutel pakken die ik haar gegeven heb, voor het geval dat. En dan komt ze binnen. Terwijl ze haar jas ophangt, haar wintertrui uitdoet, zal ze roepen: Mevrouw Willeke, waar bent U?’ En ik zal roepen: ‘Ik ben ik de keuken. Kun je even komen?’ Dan vindt ze me.

Ze zal denken, ‘mevrouw is gevallen’. En als ze me ziet liggen, dan zal ze zich over mij heen buigen, me weer een blik op haar borsten gunnend.

Sanne zal proberen me op te tillen, van de vloer af te rapen. Zoals ze dat elke dinsdag doet, alle oprapen, alles weer in orde maken.

Mijn witte jurkje dat ik deze morgen schoon had aangetrokken, ze zal er de koffievlekken op zien. En mijn witte ondergoed…. Tja, als je een hele dag op grond hebt gelegen. Maar gelukkig is het morgen de dag dat ze boven werkt. Dan haalt ze altijd ook het bed af en gooit ze de witte was in de machine. Dus kan ze dan ook meteen mijn jurkje uittrekken, mijn ondergoed.

Kan ze dan, als ze gaat strijken ook de rimpels in mijn lijf gladstrijken, zodat ze me ziet, in al mijn naaktheid, zoals ik was toen ik haar leeftijd had? Nog even weer vijfentwintig en naakt in de armen van een jonge vrouw?

 

Nog maar even wachten, geduldig wachten.

 

Morgenvroeg, dan komt ze!

 

 

Leave a comment.

Willeke Havinga's picture
Willeke Havinga
geboren 14 februari 1963, in Eindhoven. woonachtig in Tilburg, studeerde theologie aan de Theologische Faculteit Tilburg. liefhebberijen zijn: schrijven, lezen, schilderen, vroeger ook toneelspelen en zingen. En om maar meteen uit de kast te komen... ik val op vrouwen. En dat komt af en toe in mijn verhalen terug.

Ontvang iedere week een gratis verhaal!

Laat je inspireren door de beste schrijvers en ontvang de nieuwste verhalen per mail!
Geef je op en je krijgt wekelijks een gratis verhaal opgestuurd.

 

Ja, dat wil ik wel   Of bestel het magazine

Het podium voor jouw verhaal

De Verhalenmakers is een sociale onderneming met als belangrijkste doel: bijdragen aan verbinding.

Wij bieden een podium voor verhalen, schrijvers en professionals omdat we geloven in de kracht van storytelling.

Ben je een schrijver of wil je graag schrijven?
Meld je aan!

Twitter

RT @JetPeep: Wat moet een stadse puber nu op het Franse platteland. Saai? Integendeel. Lees zijn avontuur https://t.co/JjsrpPC1w5 https://t…
De Verhalenmakers (3 years ago)
Tnx @CarienTouwen voor de publicatie over de #verhalenwedstrijd op https://t.co/UX4u38lwNw. Kom maar door met die mooie verhalen!
De Verhalenmakers (3 years ago)
Tnx @HaarlemseZaken voor de publicatie over de #verhalenwedstrijd. Kom maar door met die mooie verhalen! https://t.co/12HeDI8DRf
De Verhalenmakers (3 years ago)
Yes! https://t.co/ytcegbvBAv
De Verhalenmakers (3 years ago)
Mooi begin van een nieuw #verhaal https://t.co/6aPxB6LDjH
De Verhalenmakers (3 years ago)

@social #media

Contact

De Verhalenmakers

info [at] verhalenmakers.com
of ga naar de contactpagina